Home
Onderwijs
Onderwijsbeleid
Taalbeleid
Onderwijs
Onderwijsbeleid
Taalbeleid
TAALBELEIDSPLAN RSG SNEEK
Hoofdstuk 1: inleiding
Hoofdstuk 2: Doelen
Hoofdstuk 3: Beginsituatie
Hoofdstuk 4: Eerste opzet 2010 - 2011
Hoofdstuk 5: Kwaliteitszorg
Hoofdstuk 1: Inleiding
1.1. Begripsbepaling
Er wordt veel over taalbeleid gesproken en wellicht nog meer geschreven. Over het belang van taalbeleid is iedereen in het onderwijs het wel eens. Zonder goed begrip van taal is het voor een leerling ondoenlijk met goed gevolg het onderwijsproces te doorlopen. In dit hoofdstuk behandelen we een aantal belangrijke begrippen. De omschrijvingen maken duidelijk waar we het over hebben als we ons bezig houden met taalbeleid.
Taalbeleid
In het Nederlandse onderwijs spreekt men al sinds de jaren '60 van de vorige eeuw over taalbeleid. Twee elkaar deels overlappende beschrijvingen geven een eerste kader.
'Taalbeleid is de structurele en strategische poging om de dagelijkse praktijk in een multi-etnische school aan te passen aan de taalleerbehoeften van de leerlingen met het oog op het verbeteren van de onderwijsresultaten van deze leerlingen.' Taalbeleid is een breed begrip, het richt zich met name op het verbeteren van de organisatie en van daaruit op de inhoud van het taalonderwijs op scholen met een diverse leerlingenpopulatie.
Bovenstaande definitie verdient verdere uitleg. Op de eerste plaats valt op dat het een structurele en strategische poging is. Dit betekent nogal wat. Taalbeleid is in ieder geval merkbaar en zichtbaar in structuur en in strategie. Taalbeleid is dus volledig ingebed in de school, in de keuzes die de school maakt en strekt zich uit over een langere periode. Bovendien is taalbeleid verankerd in de dagelijkse praktijk van de school. Leerlingen merken er dagelijks iets van. Taalbeleid is ook een 'poging'. Met andere woorden: de uitkomst is nog ongewis. Er dient voortdurend onderzoek te zijn om te kijken of het ingezette taalbeleid nog wel de gewenste vorderingen brengt.
Een tweede aandachtspunt is de volgorde van de beschrijving. Het gaat bij taalbeleid om de aanpassing van de (multi-etnische ) school aan de taalleerbehoeften van haar leerlingen. De school past zich dus aan. Bovendien heeft de school zicht op de taallleerbehoeften van de leerlingen.
Een derde punt is de aanname dat alle leerlingen behoefte hebben taal te leren. Wij gaan ervan uit dat taal in de zin van communicatie een oerbehoefte van de mens is. Zonder taal geen plaats in een groep, in een samenleving, in een systeem en dus geen overlevingskans.
Een laatste opmerking gaat over het doel van taalbeleid: de onderwijsresultaten, wij spreken liever van de leerresultaten, van de leerlingen, van alle leerlingen worden beter! Het gaat dus over alle vakken. Het Nederlandse (voortgezet) onderwijs is de afgelopen decennia steeds taliger geworden. Zeker bij de toetsing hebben leerlingen met taalproblemen bij voorbaat al een achterstand. Gelukkig sprak de projectgroep die verantwoordelijk is voor de eerste omschrijving in het eerste deel van haar definitie over een 'pogen', de uitkomst is dus nog ongewis.
Een tweede omschrijving heeft in al zijn eenvoud ook veel in zich: taalbeleid is 'het bewust omgaan met het onderwijsaanbod voor de talig heterogene leerlingenpopulatie' . Hier spreekt men van het onderwijsaanbod en daarmee ligt het accent op wat de school en de leraren aanbieden.
Het RSG is alleen al door het brede aanbod aan onderwijs een school met een zeer diverse leerlingenpopulatie. Bovendien speelt, zoals op iedere school in Friesland, op het RSG nog de tweetaligheid of meertaligheid een belangrijke rol. Taalbeleid op het RSG lijkt dus minstens op zijn plaats. Het past in het beleid van de school dat een groter bewustzijn ook geldt voor taal en taalbeleid. Hierin werken we en vanuit de taallleerbehoeften van de leerlingen en vanuit het onderwijsaanbod dat de school doet. We combineren zodoende beide definities.
Taal
Vaak wordt met taal alleen spreek- en schrijftaal bedoeld. Wij kiezen nadrukkelijk voor een bredere definitie. Zoals neurologisch onderzoek uitwijst, zijn woorden en zinnen, spreek- en schrijftaal dus, bij uitstek de uitdrukkingsvorm van het cognitieve brein. Daarnaast beschikt de mens over een emotioneel brein dat veel meer met beelden werkt. In het emotionele brein gaat het altijd om zaken als leven en dood, om basale veiligheid dus. Bij een goed functionerend mens zijn beide breinen met elkaar in balans. Vertaald naar school: er is niet alleen aandacht voor woorden en zinnen, maar ook voor beelden. Of anders gezegd: taalbeleid begint met veiligheid en is zodoende een uitvloeisel van leerlingbegeleiding, van schoolklimaat. Tegelijkertijd levert taalbeleid ook op zijn beurt weer een belangrijke bijdrage aan leerlingbegeleiding, aan schoolklimaat!
Communicatie
Wellicht de meest gebruikte en tegelijkertijd ook meest onduidelijke term van de laatste jaren is de term 'communicatie'. Als er ergens iets niet klopt, is er altijd sprake van een communicatieprobleem. De omschrijving geeft feilloos aan waar die problemen allemaal zich kunnen voordoen. "Communicatie is een proces waarbij men tracht een bepaald begrip over te dragen uit het ene voorstellingskader (de zender of de bron waarin zij wordt vervaardigd) naar een ander (de ontvanger) door middel van informatie die, volgens afspraak, naar dat begrip verwijst." Het werkwoord trachten geeft al aan dat het uitwisselingsproces ook niet kan lukken. Communicatie is altijd een proces waarin minimaal een partij bezig is informatie over te brengen naar een andere partij. Die overdracht is altijd in het belang van die zender. Of de ontvanger daar ook bij gebaat is, is vaak nog maar de vraag. Er is in ieder geval geen sprake van communicatie als een partij bijvoorbeeld op een website heel veel informatie plaatst. Er is dan hooguit sprake van informatievoorziening.
Het is een filosofisch probleem om te bepalen of mensen in staat zijn volledig op anderen over te brengen wat zij zich voorstellen. In dit kader past een wat aardsere omschrijving van communicatie: "zo dicht mogelijk langs elkaar heen praten!" Vertaald naar school betekent dit enerzijds een behoorlijke relativering van taalbeleid en anderzijds de noodzaak tot een structurele benadering. We moeten blijven 'trachten'.
Het werken aan taalbeleid houdt concreet in: het in kaart brengen van de beginsituatie van de school, nagaan welke scholing gewenst is, taalbeleid in steden met relatief kleine groepen allochtonen, voorschoolse projecten, eerste opvang nieuwkomers, integratie NT2/NT1, NT2 in andere vakken, begrijpend lezen, OALT (Onderwijs Allochtone Levende Talen) en intercultureel onderwijs.
Tweetaligheid
Juist in Friesland speelt als in geen andere provincie in Nederland de tweetaligheid. Dat levert specifieke problemen op maar kan ook tot bijzondere voordelen leiden. "Een school is tweetalig, als de beide talen, in dit geval Fries en Nederlands, als vak worden onderwezen én als voertaal (instructietaal) bij andere vakken worden gebruikt. Een school die beide talen als vak op het rooster heeft, bijna alle lessen in het Nederlands geeft en wekelijks één 'Friese middag' (voertaal Fries) heeft, is daarmee een tweetalige school." Hoe de twee schooltalen als voertaal in het onderwijs worden gebruikt, kan in de praktijk sterk variëren.
Het RSG kiest ervoor zichzelf niet tot een tweetalige school te benoemen. Wel past de school zich aan aan de taalleerbehoeften van haar leerlingen. Vandaar krijgt ook het onderwijs in de vreemde talen een geheel eigen invulling.
Taalhygiëne
Binnen het RSG gebruiken we geregeld de term taalhygiëne. We bedoelen hiermee de voortdurende zorg voor taal, voor communicatie. Zoals de mens altijd zorg en aandacht moet besteden aan zijn lichamelijke verzorging, willen wij voortdurend zorg en aandacht blijven besteden aan ons taalgebruik. Daarbij leven we niet in een steriele wereld. Met andere woorden, er gebeurt ook op taalgebeid voortdurend van alles waar wij ons niet volledig voor kunnen indekken. Alertheid, vinger ook aan de taalpols is geboden. Om de vergelijking helemaal compleet te maken willen wij in dit kader ook wijzen op de rol van de leraar. Ook hij moet, net zoals de arts bij lichaamshygiëne, ook op zijn eigen taal letten en die ook bijhouden.
1.2. Uitgangspunten
Taalbeleid zoals ieder beleid, is gestoeld op een aantal keuzes. Het doel van de keuzes is uiteraard de kans van slagen zo groot mogelijk te maken. De keuzes die hieronder gemaakt zijn, moeten dan ook gezien worden als bijdrage aan het verbeteren van de leerprestaties van de leerlingen.
Met elkaar
"De missie van de school betekent dat leerlingen hun maximale ontplooiing bereiken doordat ze ervaren dat ze er niet alleen voor staan. Samen met andere leerlingen, begeleid door de medewerkers van onze school, creëren onze leerlingen hun eigen kansrijke leeromgeving. Medewerkers staan er eveneens niet alleen voor. Als lid van hun team kunnen ze vertrouwen op professionele samenwerking met collega's."
Wanneer we de missie doorvertalen naar taalbeleid, komen concrete aanknopingspunten naar voren. In willekeurige volgorde:
Taalbeleid valt uiteraard onder de verantwoordelijkheid van de schooldirectie. Binnen de schoolleiding heeft de rector taalbeleid direct in zijn portefeuille. Omdat taalbeleid de komende vier jaar een van de speerpunten in het totale beleid is, heeft de schoolleiding besloten tot het aanstellen van een taalcoördinator, een werkgroep taalbeleid en voor het aanzoeken van een kritische vriend van buiten de organisatie.
De taalcoördinator is voorzitter van de taalwerkgroep en is iemand met een (meer)talige achtergrond. De taalwerkgroep bevat vertegenwoordigers van alle vier vakgroepen. Hier is de meertaligheid gewenst. Tevens is het raadzaam een leerlingbegeleider qualitate qua deel uit te laten maken van de werkgroep. Deze kan met name de voortdurende zorg voor de emotionele kant van communicatie voor zijn rekening nemen.
Het instellen van een werkgroep taalbeleid betekent niet dat taalbeleid specifiek bij een bepaalde (werk)groep wordt ondergebracht. Taalbeleid werkt alleen dan als alle bij school betrokkenen daar hun schouders onder zetten. De werkgroep vervult daarom ook alleen een coördinerende rol in de voorbereiding, in de uitvoering en in de evaluatie en de bijstelling.
Hoofdstuk 2: Doelen
Het taalbeleidsplan beslaat een periode van vier jaar, geldt dus voor de periode 2009- 2013. Zoals al in hoofdstuk 1 bij de definitie is aangegeven heeft taalbeleid tot doel het onderwijs, het leerproces toegankelijker te maken voor meer leerlingen door beter aan te sluiten bij de taalleerbehoeften van de leerlingen.
Deze betere aansluiting moet zichtbaar worden in een aantoonbare stijging van de doorstroomcijfers en van de examencijfers. Daarnaast moeten de leerlingen ook zelf veel meer en beter zicht hebben op hun taalmogelijkheden en hun taalbeperkingen. Ditzelfde geldt ook voor de docenten en de directie. Met onder andere het taalbeleid streeft het RSG een cultuur na waarin openheid en respect centraal staan naast het behalen van zo goed mogelijke resultaten.
De komende vier jaar vallen in de volgende fasen uiteen: 2009-2010: Pilot op Basisberoeps en Kaderberoeps, vertaling naar andere afdelingen, waarbij minimaal de volgende zaken intern voorbereid zijn : aanstelling taalcoördinator, formatie werkgroep, aanzoeken kritische vriend, formuleren pedagogische basis, aanleggen van materialen, evaluatie pilot Basisberoeps en Kaderberoeps, opstellen jaarplanning 2010 - 2011, ontwikkelen format leerling-profielen, contacten leggen met toeleverende basisscholen, verzamelen van gegevens van de nieuwe eersteklassers, bepalen van prioriteiten, bekend maken van project en vervolg taalbeleid.
Al het materiaal wordt ook uitgeprobeerd op de docenten die aan de pilot mee gaan doen. Zij hebben zodoende ook zicht op hun eigen taalvermogens en taalleerbehoeften .
2010-2011: evaluatie en bijstelling pilot en voortzetting in klas 2 BL en KL, draaien taalbeleid in alle eerste klassen.
2011-2012: evaluatie en bijstelling taalbeleid in jaarlagen die in 2010 - 2011 gedraaid hebben, uitgebreid met alle nieuwe eerstejaars
2012-2013: schoolbrede aanpak
Hoofdstuk 3: Beginsituatie
Voor een degelijk uitgevoerd taalbeleid is een nulmeting in alle opzichten van groot belang. De eerste aanzet voor een dergelijk onderzoek is inmiddels gegeven. Zoals eerder gezegd gaat het bij taalbeleid om de taalleerbehoeften van de leerlingen en het onderwijsaanbod vanuit school. Daartoe is met hulp van de A-vision een uitgebreid onderzoek gedaan in klas 1,2 en 3 van de afdeling Basisberoeps en Kaderberoeps naar de volgende zaken:
Eerste voorzichtige conclusies:
Uiteraard willen we de ervaringen bij de leerlingen uit de pilot nog goed evalueren en op basis van die ervaringen nog de nodige zaken bijstellen. Toch is het ook zinvol nu al een eerste kader voor 2010 - 2011 te schetsen. De onderstaande zaken willen we zeker in ons taalbeleid opnemen:
De school zet nu al breed in op taalbeleid en wil zich hierin nog meer gaan profileren. Uiteraard is het dan zaak het geheel goed te volgen en de resultaten duidelijk in beeld te brengen en te houden. Wij kiezen ervoor een kwalitatieve en een kwantitatieve benadering te hanteren. Onder de kwantitatieve benadering verstaan we alle concrete gegevens die we van leerlingen (en van docenten) op taalgebied kunnen verzamelen. Al deze gegevens komen in een format per leerling. Iedere leerling beheert zijn eigen format.
Daarnaast geven we ook invulling aan een kwalitatieve benadering. We vragen leerlingen voortdurend bij te houden hoe zij zich in het ontwikkelen van hun taalleerbehoeften voelen. De taal waarin zij hun eigen taalverhaal vertellen, is geheel aan hen. Dat kan in het Fries zijn, dat kan in het Nederlands zijn. Dat kan in de vorm van beelden zijn, dan kan in de vorm van woorden.
Daarnaast houden wij ons strak aan de PDCA - cyclus waarbij we vooral ook de verschillende fasen strikt gescheiden willen houden. Concreet houdt dit onder andere in dat we tijdens het plannen ( P) niet meteen ook aan het doen zijn, dat we tijdens doen (D) niet meteen ook aan het checken, evalueren ( C) zijn.
Tot slot willen we dit beleidsstuk zelf ook betrekken in het geheel. Ook dit moet voortdurend, dat wil zeggen ieder jaar, bijgesteld en aangevuld worden. Alleen op deze manier verdient dit document ook werkelijk zijn ondertitel, een werkdocument.
November 2009
Hoofdstuk 1: inleiding
Hoofdstuk 2: Doelen
Hoofdstuk 3: Beginsituatie
Hoofdstuk 4: Eerste opzet 2010 - 2011
Hoofdstuk 5: Kwaliteitszorg
Hoofdstuk 1: Inleiding
1.1. Begripsbepaling
Er wordt veel over taalbeleid gesproken en wellicht nog meer geschreven. Over het belang van taalbeleid is iedereen in het onderwijs het wel eens. Zonder goed begrip van taal is het voor een leerling ondoenlijk met goed gevolg het onderwijsproces te doorlopen. In dit hoofdstuk behandelen we een aantal belangrijke begrippen. De omschrijvingen maken duidelijk waar we het over hebben als we ons bezig houden met taalbeleid.
Taalbeleid
In het Nederlandse onderwijs spreekt men al sinds de jaren '60 van de vorige eeuw over taalbeleid. Twee elkaar deels overlappende beschrijvingen geven een eerste kader.
'Taalbeleid is de structurele en strategische poging om de dagelijkse praktijk in een multi-etnische school aan te passen aan de taalleerbehoeften van de leerlingen met het oog op het verbeteren van de onderwijsresultaten van deze leerlingen.' Taalbeleid is een breed begrip, het richt zich met name op het verbeteren van de organisatie en van daaruit op de inhoud van het taalonderwijs op scholen met een diverse leerlingenpopulatie.
Bovenstaande definitie verdient verdere uitleg. Op de eerste plaats valt op dat het een structurele en strategische poging is. Dit betekent nogal wat. Taalbeleid is in ieder geval merkbaar en zichtbaar in structuur en in strategie. Taalbeleid is dus volledig ingebed in de school, in de keuzes die de school maakt en strekt zich uit over een langere periode. Bovendien is taalbeleid verankerd in de dagelijkse praktijk van de school. Leerlingen merken er dagelijks iets van. Taalbeleid is ook een 'poging'. Met andere woorden: de uitkomst is nog ongewis. Er dient voortdurend onderzoek te zijn om te kijken of het ingezette taalbeleid nog wel de gewenste vorderingen brengt.
Een tweede aandachtspunt is de volgorde van de beschrijving. Het gaat bij taalbeleid om de aanpassing van de (multi-etnische ) school aan de taalleerbehoeften van haar leerlingen. De school past zich dus aan. Bovendien heeft de school zicht op de taallleerbehoeften van de leerlingen.
Een derde punt is de aanname dat alle leerlingen behoefte hebben taal te leren. Wij gaan ervan uit dat taal in de zin van communicatie een oerbehoefte van de mens is. Zonder taal geen plaats in een groep, in een samenleving, in een systeem en dus geen overlevingskans.
Een laatste opmerking gaat over het doel van taalbeleid: de onderwijsresultaten, wij spreken liever van de leerresultaten, van de leerlingen, van alle leerlingen worden beter! Het gaat dus over alle vakken. Het Nederlandse (voortgezet) onderwijs is de afgelopen decennia steeds taliger geworden. Zeker bij de toetsing hebben leerlingen met taalproblemen bij voorbaat al een achterstand. Gelukkig sprak de projectgroep die verantwoordelijk is voor de eerste omschrijving in het eerste deel van haar definitie over een 'pogen', de uitkomst is dus nog ongewis.
Een tweede omschrijving heeft in al zijn eenvoud ook veel in zich: taalbeleid is 'het bewust omgaan met het onderwijsaanbod voor de talig heterogene leerlingenpopulatie' . Hier spreekt men van het onderwijsaanbod en daarmee ligt het accent op wat de school en de leraren aanbieden.
Het RSG is alleen al door het brede aanbod aan onderwijs een school met een zeer diverse leerlingenpopulatie. Bovendien speelt, zoals op iedere school in Friesland, op het RSG nog de tweetaligheid of meertaligheid een belangrijke rol. Taalbeleid op het RSG lijkt dus minstens op zijn plaats. Het past in het beleid van de school dat een groter bewustzijn ook geldt voor taal en taalbeleid. Hierin werken we en vanuit de taallleerbehoeften van de leerlingen en vanuit het onderwijsaanbod dat de school doet. We combineren zodoende beide definities.
Taal
Vaak wordt met taal alleen spreek- en schrijftaal bedoeld. Wij kiezen nadrukkelijk voor een bredere definitie. Zoals neurologisch onderzoek uitwijst, zijn woorden en zinnen, spreek- en schrijftaal dus, bij uitstek de uitdrukkingsvorm van het cognitieve brein. Daarnaast beschikt de mens over een emotioneel brein dat veel meer met beelden werkt. In het emotionele brein gaat het altijd om zaken als leven en dood, om basale veiligheid dus. Bij een goed functionerend mens zijn beide breinen met elkaar in balans. Vertaald naar school: er is niet alleen aandacht voor woorden en zinnen, maar ook voor beelden. Of anders gezegd: taalbeleid begint met veiligheid en is zodoende een uitvloeisel van leerlingbegeleiding, van schoolklimaat. Tegelijkertijd levert taalbeleid ook op zijn beurt weer een belangrijke bijdrage aan leerlingbegeleiding, aan schoolklimaat!
Communicatie
Wellicht de meest gebruikte en tegelijkertijd ook meest onduidelijke term van de laatste jaren is de term 'communicatie'. Als er ergens iets niet klopt, is er altijd sprake van een communicatieprobleem. De omschrijving geeft feilloos aan waar die problemen allemaal zich kunnen voordoen. "Communicatie is een proces waarbij men tracht een bepaald begrip over te dragen uit het ene voorstellingskader (de zender of de bron waarin zij wordt vervaardigd) naar een ander (de ontvanger) door middel van informatie die, volgens afspraak, naar dat begrip verwijst." Het werkwoord trachten geeft al aan dat het uitwisselingsproces ook niet kan lukken. Communicatie is altijd een proces waarin minimaal een partij bezig is informatie over te brengen naar een andere partij. Die overdracht is altijd in het belang van die zender. Of de ontvanger daar ook bij gebaat is, is vaak nog maar de vraag. Er is in ieder geval geen sprake van communicatie als een partij bijvoorbeeld op een website heel veel informatie plaatst. Er is dan hooguit sprake van informatievoorziening.
Het is een filosofisch probleem om te bepalen of mensen in staat zijn volledig op anderen over te brengen wat zij zich voorstellen. In dit kader past een wat aardsere omschrijving van communicatie: "zo dicht mogelijk langs elkaar heen praten!" Vertaald naar school betekent dit enerzijds een behoorlijke relativering van taalbeleid en anderzijds de noodzaak tot een structurele benadering. We moeten blijven 'trachten'.
Het werken aan taalbeleid houdt concreet in: het in kaart brengen van de beginsituatie van de school, nagaan welke scholing gewenst is, taalbeleid in steden met relatief kleine groepen allochtonen, voorschoolse projecten, eerste opvang nieuwkomers, integratie NT2/NT1, NT2 in andere vakken, begrijpend lezen, OALT (Onderwijs Allochtone Levende Talen) en intercultureel onderwijs.
Tweetaligheid
Juist in Friesland speelt als in geen andere provincie in Nederland de tweetaligheid. Dat levert specifieke problemen op maar kan ook tot bijzondere voordelen leiden. "Een school is tweetalig, als de beide talen, in dit geval Fries en Nederlands, als vak worden onderwezen én als voertaal (instructietaal) bij andere vakken worden gebruikt. Een school die beide talen als vak op het rooster heeft, bijna alle lessen in het Nederlands geeft en wekelijks één 'Friese middag' (voertaal Fries) heeft, is daarmee een tweetalige school." Hoe de twee schooltalen als voertaal in het onderwijs worden gebruikt, kan in de praktijk sterk variëren.
Het RSG kiest ervoor zichzelf niet tot een tweetalige school te benoemen. Wel past de school zich aan aan de taalleerbehoeften van haar leerlingen. Vandaar krijgt ook het onderwijs in de vreemde talen een geheel eigen invulling.
Taalhygiëne
Binnen het RSG gebruiken we geregeld de term taalhygiëne. We bedoelen hiermee de voortdurende zorg voor taal, voor communicatie. Zoals de mens altijd zorg en aandacht moet besteden aan zijn lichamelijke verzorging, willen wij voortdurend zorg en aandacht blijven besteden aan ons taalgebruik. Daarbij leven we niet in een steriele wereld. Met andere woorden, er gebeurt ook op taalgebeid voortdurend van alles waar wij ons niet volledig voor kunnen indekken. Alertheid, vinger ook aan de taalpols is geboden. Om de vergelijking helemaal compleet te maken willen wij in dit kader ook wijzen op de rol van de leraar. Ook hij moet, net zoals de arts bij lichaamshygiëne, ook op zijn eigen taal letten en die ook bijhouden.
1.2. Uitgangspunten
Taalbeleid zoals ieder beleid, is gestoeld op een aantal keuzes. Het doel van de keuzes is uiteraard de kans van slagen zo groot mogelijk te maken. De keuzes die hieronder gemaakt zijn, moeten dan ook gezien worden als bijdrage aan het verbeteren van de leerprestaties van de leerlingen.
Met elkaar
"De missie van de school betekent dat leerlingen hun maximale ontplooiing bereiken doordat ze ervaren dat ze er niet alleen voor staan. Samen met andere leerlingen, begeleid door de medewerkers van onze school, creëren onze leerlingen hun eigen kansrijke leeromgeving. Medewerkers staan er eveneens niet alleen voor. Als lid van hun team kunnen ze vertrouwen op professionele samenwerking met collega's."
Wanneer we de missie doorvertalen naar taalbeleid, komen concrete aanknopingspunten naar voren. In willekeurige volgorde:
- Taalbeleid geldt voor alle medewerkers en is daarmee niet specifiek verbonden aan de docenten Nederlands of talen. Het is wel voor de hand liggend als de eerste verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het taalbeleid komt te liggen bij een talendocent of een groep talendocenten.
- Taalbeleid behoeft ook de actieve medewerking van ouders. In dit kader neemt de school niet alleen de verantwoordelijkheid voor ouderavonden over taalbeleid maar zoekt de school ook naar de actieve inzet van ouders bij taalbeleid. Zo denken we in dit kader bijvoorbeeld aan de taalverschillen tussen een vader die metselaar is en een moeder die advocaat is. Welke taalverschillen vallen op voor leerlingen? Welk jargon hoort bij welk beroep? Hoe communiceert men? Wie is het duidelijkst in zijn, haar bedoelingen?
- Het RSG gaat actief op zoek naar partners in taalbeleid. Dat zullen in eerste instantie de toeleverende basisscholen zijn. De (taal)gegevens van de leerlingen zullen reeds bij toelating in overzichtelijke en toepasbare termen beschikbaar moeten zijn. Het leerlingvolgsysteem is hierbij een eerste bron.
- Ook externe kennisinstituten zijn in het kader van taalbeleid interessante mogelijke partners. De eerste die in dit kader aan bod zal komen, is het Zorgcentrum Fultura . Ook het Taalsintrum Frysk is in dit kader een zeer interessante mogelijke partner. Daarnaast is het wenselijk als vanaf het eerste daadwerkelijke begin van een taalbeleidsprogramma voortdurende monitoring plaats vindt.
- Taalbeleid neemt een belangrijke plaats in in het schoolbeleid. In dit kader past het een buitenstaander met een duidelijke talige achtergrond als kritische vriend in te schakelen. Omdat deze geen directe schoolbelangen heeft, kan hij voortdurend vanuit de helikopterview blijven bewaken of de grote lijnen nog gehandhaafd worden of de visie nog steeds gevolgd wordt en of ook de goede vervolgstappen worden gedaan.
Taalbeleid valt uiteraard onder de verantwoordelijkheid van de schooldirectie. Binnen de schoolleiding heeft de rector taalbeleid direct in zijn portefeuille. Omdat taalbeleid de komende vier jaar een van de speerpunten in het totale beleid is, heeft de schoolleiding besloten tot het aanstellen van een taalcoördinator, een werkgroep taalbeleid en voor het aanzoeken van een kritische vriend van buiten de organisatie.
De taalcoördinator is voorzitter van de taalwerkgroep en is iemand met een (meer)talige achtergrond. De taalwerkgroep bevat vertegenwoordigers van alle vier vakgroepen. Hier is de meertaligheid gewenst. Tevens is het raadzaam een leerlingbegeleider qualitate qua deel uit te laten maken van de werkgroep. Deze kan met name de voortdurende zorg voor de emotionele kant van communicatie voor zijn rekening nemen.
Het instellen van een werkgroep taalbeleid betekent niet dat taalbeleid specifiek bij een bepaalde (werk)groep wordt ondergebracht. Taalbeleid werkt alleen dan als alle bij school betrokkenen daar hun schouders onder zetten. De werkgroep vervult daarom ook alleen een coördinerende rol in de voorbereiding, in de uitvoering en in de evaluatie en de bijstelling.
Hoofdstuk 2: Doelen
Het taalbeleidsplan beslaat een periode van vier jaar, geldt dus voor de periode 2009- 2013. Zoals al in hoofdstuk 1 bij de definitie is aangegeven heeft taalbeleid tot doel het onderwijs, het leerproces toegankelijker te maken voor meer leerlingen door beter aan te sluiten bij de taalleerbehoeften van de leerlingen.
Deze betere aansluiting moet zichtbaar worden in een aantoonbare stijging van de doorstroomcijfers en van de examencijfers. Daarnaast moeten de leerlingen ook zelf veel meer en beter zicht hebben op hun taalmogelijkheden en hun taalbeperkingen. Ditzelfde geldt ook voor de docenten en de directie. Met onder andere het taalbeleid streeft het RSG een cultuur na waarin openheid en respect centraal staan naast het behalen van zo goed mogelijke resultaten.
De komende vier jaar vallen in de volgende fasen uiteen: 2009-2010: Pilot op Basisberoeps en Kaderberoeps, vertaling naar andere afdelingen, waarbij minimaal de volgende zaken intern voorbereid zijn : aanstelling taalcoördinator, formatie werkgroep, aanzoeken kritische vriend, formuleren pedagogische basis, aanleggen van materialen, evaluatie pilot Basisberoeps en Kaderberoeps, opstellen jaarplanning 2010 - 2011, ontwikkelen format leerling-profielen, contacten leggen met toeleverende basisscholen, verzamelen van gegevens van de nieuwe eersteklassers, bepalen van prioriteiten, bekend maken van project en vervolg taalbeleid.
Al het materiaal wordt ook uitgeprobeerd op de docenten die aan de pilot mee gaan doen. Zij hebben zodoende ook zicht op hun eigen taalvermogens en taalleerbehoeften .
2010-2011: evaluatie en bijstelling pilot en voortzetting in klas 2 BL en KL, draaien taalbeleid in alle eerste klassen.
2011-2012: evaluatie en bijstelling taalbeleid in jaarlagen die in 2010 - 2011 gedraaid hebben, uitgebreid met alle nieuwe eerstejaars
2012-2013: schoolbrede aanpak
Hoofdstuk 3: Beginsituatie
Voor een degelijk uitgevoerd taalbeleid is een nulmeting in alle opzichten van groot belang. De eerste aanzet voor een dergelijk onderzoek is inmiddels gegeven. Zoals eerder gezegd gaat het bij taalbeleid om de taalleerbehoeften van de leerlingen en het onderwijsaanbod vanuit school. Daartoe is met hulp van de A-vision een uitgebreid onderzoek gedaan in klas 1,2 en 3 van de afdeling Basisberoeps en Kaderberoeps naar de volgende zaken:
- Spelling
- woordbeeld
- woordenschat
- grammatica
- technisch lezen
Eerste voorzichtige conclusies:
- de resultaten zijn (soms spectaculair) verbeterd. Extra-aandacht heeft zin!
- Binnen de school zijn de eerste afspraken gemaakt over de verdere invulling van het taalbeleid op de afdeling Basisberoeps en Kaderberoeps, zodat er juist op het gebied van taal meer en meer sprake is van een doorlopende leerweg.
- Aan het begin van een schoolloopbaan toetsen waar leerlingen staan, levert veel meer effect op dan alle leerlingen over een kam scheren.
- Hoe betrekken we als school ook de taalleerbehoeften van de leerlingen in het taalbeleid?
- Hoe sluiten we aan bij hun communicatievaardigheden?
- Hoe brengen we niet alleen de achterstanden in beeld maar gaan we ook werken met de (taal)kwaliteiten die leerlingen hebben?
- Hoe kunnen we ook moderne ontwikkelingen als Fast Reading, Mindmappen, geheugentechnieken inzetten?
Uiteraard willen we de ervaringen bij de leerlingen uit de pilot nog goed evalueren en op basis van die ervaringen nog de nodige zaken bijstellen. Toch is het ook zinvol nu al een eerste kader voor 2010 - 2011 te schetsen. De onderstaande zaken willen we zeker in ons taalbeleid opnemen:
- De nog openstaande vragen uit het schooljaar 2009 - 2010 zijn beantwoord en geven daarmee ook richting aan het taalbeleid.
- Ook de vertaling van de doelen van het taalbeleid naar de leerlingbegeleiding en daarmee naar de schoolcultuur is opgepakt en heeft geleid tot een aantal concrete acties bijvoorbeeld bij zaken als introductie.
- De taalvermogens van de leerlingen uit klas 1. Hierbij komen minimaal aan bod: leesvaardigheid, schrijfvaardigheid, woordenschat, uitdrukkingsvaardigheid, presentatievaardigheid, tweetaligheid . Dit onderzoek begint in de derde week van het schooljaar 2010-11. Getoetst worden dan de receptieve vaardigheden zoals lezen, tekstbegrip, woordenschat. In week vijf komen dan de productieve taalvaardigheden, zoals schrijven aan bod.
- In de week voor de herfstvakantie worden de resultaten vergeleken met de gegevens van de toeleverende basisscholen. Op basis daarvan worden per leerling profielen aangemaakt. Het format daarvoor is klaar. Op basis van de gegevens wordt de richting bepaald voor de verdere ontwikkeling. Richtinggevend hierin zijn de reeds geconstateerde kwaliteiten van de leerling en zijn eigen behoeften op dit vlak. Dit alles geschiedt uiteraard in nauwgezet overleg met de leerling en zijn ouders.
- De leerbehoeften van de leerlingen uit klas 1. Leerlingen leren op hun eigen manier. Wil je een goed rendement behalen, dan is aansluiten bij de favoriete leermethode van de leerlingen voor de hand liggend. De periode tussen de herfst en kerst staat in het teken van de leerbehoeften. De te beantwoorden vraag is niet alleen wat de leerling wil leren maar ook hoe en met wie. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan de manier waarop de leerling zijn vorderingen laat zien.
De school zet nu al breed in op taalbeleid en wil zich hierin nog meer gaan profileren. Uiteraard is het dan zaak het geheel goed te volgen en de resultaten duidelijk in beeld te brengen en te houden. Wij kiezen ervoor een kwalitatieve en een kwantitatieve benadering te hanteren. Onder de kwantitatieve benadering verstaan we alle concrete gegevens die we van leerlingen (en van docenten) op taalgebied kunnen verzamelen. Al deze gegevens komen in een format per leerling. Iedere leerling beheert zijn eigen format.
Daarnaast geven we ook invulling aan een kwalitatieve benadering. We vragen leerlingen voortdurend bij te houden hoe zij zich in het ontwikkelen van hun taalleerbehoeften voelen. De taal waarin zij hun eigen taalverhaal vertellen, is geheel aan hen. Dat kan in het Fries zijn, dat kan in het Nederlands zijn. Dat kan in de vorm van beelden zijn, dan kan in de vorm van woorden.
Daarnaast houden wij ons strak aan de PDCA - cyclus waarbij we vooral ook de verschillende fasen strikt gescheiden willen houden. Concreet houdt dit onder andere in dat we tijdens het plannen ( P) niet meteen ook aan het doen zijn, dat we tijdens doen (D) niet meteen ook aan het checken, evalueren ( C) zijn.
Tot slot willen we dit beleidsstuk zelf ook betrekken in het geheel. Ook dit moet voortdurend, dat wil zeggen ieder jaar, bijgesteld en aangevuld worden. Alleen op deze manier verdient dit document ook werkelijk zijn ondertitel, een werkdocument.
November 2009









